Please activate JavaScript!
Please install Adobe Flash Player, click here for download

Spelling van de Werkwoordsvormen

8 1.2 Spelling van de persoonsvorm Nu het duidelijk is hoe je de persoonsvorm kunt herkennen, kun je de juiste spellingregel gaan toepassen. De persoonsvorm kan in de tegenwoordige tijd en in de verleden tijd staan. tegenwoordige tijd Hij antwoordt op mijn vraag. verleden tijd Hij antwoordde op mijn vraag. Voor de spelling in de tegenwoordige tijd gebruiken we een andere regel dan voor de spelling in de verleden tijd. Een goede spelling begint bij de stam van het werkwoord. 1.2.1 De stam van het werkwoord De spelling van de persoonsvorm begint bij de basis, bij de stam van het werkwoord. De stam van antwoorden is antwoord. De stam van het werkwoord De stam gebruik je bij de spelling vaak als basis. Zonder een goede basis kun je een werkwoord meestal niet goed spellen. De stam is altijd gelijk aan de vorm van het werkwoord na ‘ik’ in de tegenwoordige tijd: ik vind, ik sta, ik antwoord. De stam krijg je bij veel werkwoorden door de uitgang – en van het hele werkwoord af te halen. Maar niet alle werkwoorden eindigen op –en ( staan bijvoorbeeld niet). voorbeeld hele werkwoord stam antwoorden -en (ik) antwoord vinden -en (ik) vind staan (ik) sta hakken (ik) hak (stam heeft één k) geven (ik) geef (v verandert in f) vrezen (ik)vrees (z verandert in s) DE PERSOONSVORM SPELLEN

Pages Overview