Please activate JavaScript!
Please install Adobe Flash Player, click here for download

Spelling van de Werkwoordsvormen

26 ANTWOORDEN 1. DE PERSOONSVORM 1.1 De persoonsvorm herkennen opdracht 1 In deze zin staan twee werkwoorden: worden en verbouwd. Worden is de persoonsvorm. De persoonsvorm is het werkwoord dat je in een andere tijd kunt zetten. De huizen worden verbouwd. (tegenwoordige tijd) De huizen werden verbouwd. ( verleden tijd) Alleen ‘worden’ verandert als je de zin in een andere tijd zet. Een ander kenmerk van de persoonsvorm: als het onderwerp ( hier huizen) verandert van enkelvoud naar meervoud of andersom, dan verandert de persoonsvorm ook. opdracht 2 1. ja, in samengestelde zinnen staan vaak meerdere persoonsvormen. In zin d staan er zelfs 3! 2. niet waar In onderstaande zin staan twee persoonsvormen: Ik geloof, dat mijn moeder de planten van de buurvrouw verzorgt. De persoonsvorm verzorgt staat aan het einde van de zin. 3. niet waar Het onderwerp en de persoonsvorm kunnen ver uit elkaar staan. Kijk naar de afstand tussen onderwerp (mijn moeder) en de persoonsvorm ( verzorgt) in onderstaande zin. Ik geloof, dat mijn moeder de planten van de buurvrouw verzorgt. opdracht 3 EXTRA 3A 1. kun 6. heeft, komt 2. ging, had, waren 7. kunnen 3. zijn, verzorgt 8. houdt, duurt 4. denk, verbouwt, is 9. verloopt, moet 5. is, verandert, verandert 10. heb, ben 1.2 Spelling van de persoonsvorm opdracht 4 1. vind 6. vermoedt, vermindert 2. beantwoordt 7. wordt 3. gelooft 8 vindt 4. voldoet 9 vindt, vergoedt, verzorgt 5. doorbrandt 10. Behandelt overige antwoorden: zie volledige versie DE PERSOONSVORM HERKENNEN

Pages Overview